Gepost op

Kalender met leestips

Ja, hij is af! De kalender voor 2019 met elke maand een leestip in de vorm van een illustratie. Twaalf boeken, twaalf verhalen, twaalf schrijvers. Het enige wat deze twaalf echt gemeen hebben is dat de dames en heren in kwestie langer dan zeventig jaar geleden hun laatste adem hebben uitgeblazen. Dit macabere detail heeft alles te maken met auteursrecht, waar ik je nu niet (waarschijnlijk nooit) mee zal vermoeien.

Er zitten heel wat uurtjes aan Wikipedia in deze kalender. Maar hoe leuk is het ook om de literatuurgeschiedenis in te duiken? Ik weet niet meer precies hoe ik daar op de middelbare school over dacht, maar de afgelopen maanden heb ik me hier uitstekend mee vermaakt.


Geen Nederlandse literatuur
Toen ik al een maand of zes getekend had, bleek daar nog geen enkele Nederlandse auteur tussen te zitten. En nu de kalender klaar en gedrukt is, is dat nog steeds het geval. Ik ben zeker geen literatuur expert, maar geen van de Nederlandse boeken die ik tegen kwam, bood mij genoeg inspiratie voor een goede* tekening.

Neem nou Max Havelaar van Multatuli, één van de belangrijkste boeken uit de Nederlandse literatuur. Het boek is een aanklacht tegen het misbruik van het zogeheten cultuurstelsel in Nederlands-Indië; hoe meer geld een stukje land opbracht voor Nederland, hoe meer de inlandse vorst ervoor kreeg. Dit leidde tot flinke uitbuiting van de inheemse bevolking die het land moest bewerken. De Nederlandse ambtenaren in Nederlandse-Indië grepen hierbij nauwelijks in, tot groot ongenoegen dus van Multatuli. Hij schreef het boek in nog geen zes weken tijd en creëerde ermee het bewustzijn bij de Nederlandse bevolking (in Nederland) dat de weelde die zij genoten werd verkregen over de gepijnigde ruggen van mensen aan de andere kant van de wereld.

Dan kan je wel leuk een jungle tekenen, met orang oetans en koffieplanten, maar daarmee doe je volgens mij het boek onrecht aan. En zo waren er nog meer boeken waarbij je met een illustratie het verhaal tekort doet.

Dracula getekend door de briljante illustrator Edward Gorey.

Duister randje
Met mijn illustraties wil ik graag mensen een glimlach geven, dat betekende voor de kalender dat een aantal persoonlijk favorieten afvielen. Veel verhalen uit de Victoriaanse tijd zijn prachtig, maar hebben een duister randje. Denk hierbij aan Mary Shelley’s Frankenstein, het hele repertoire van Oscar Wilde en Dracula van Bram Stoker. Niet perse gezellig zo’n monster in de keuken.

Soms vond ik boeken te voor de hand liggend of niet kenmerkend genoeg, zoals Sherlock Holmes van Sir Edward Conan Doyle en de verhalen van Jane Austen.

Maar welke boeken hebben het dan wel gehaald? Dat zie je hier. En alvast een voornemen voor 2019; aan het begin van de maand zal ik in mijn blog het boek van de illustratie ‘bespreken’. Daarbij ga ik proberen er ook zo veel mogelijk te lezen (of de film ervan te kijken). Wie doet er mee?

* Waarbij je uit het plaatje kan opmaken om welk boek het gaat.

Gepost op

Als ik later groot ben

Als ik later groot ben dan word ik… Prinses! Brandweerman! Dokter! Kan me niet herinneren dat ik ooit één van deze dingen genoemd hebt. Ik denk dat mijn wannabe-carrière begon met schilderes. Opgevolgd door schrijfster. Eigenlijk al zo lang ik weet hoe je met letters woorden en zinnen moet maken, schrijf ik verhaaltjes en andere teksten. Dat begon met het sprookje over Duimeliesje (niet te verwarren met Duimelijntje van H.C. Andersen) die samen met haar libelle Ria in een roze roos woont. Er staat helaas geen jaartal in het schriftje waarin ik dit geschreven heb, maar laten we zeggen dat de wereld van d’s en t’s nog onbekend terrein was.

Na Duimeliesje en een hoop andere personages kwam in 1995, het deels op waarheid gebaseerde verhaal, Pien. In die meivakantie had ik met mijn zusje en een vriendinnetje een meerkoetkuiken gevonden, wat resulteerde in een bijna veertig kantjes met de hand geschreven ‘boek’ over het kuiken dat we Pien hadden genoemd. Ook schreef ik in die tijd veel gedichtjes, enerzijds met duidelijke rijm maar anderzijds ook gebruikmakend van…dichterlijke vrijheid.

Aan het begin van de middelbare school draaide mijn carrièrewens richting turninstructeur bij een vereniging. Ik heb even overwogen om naar de ALO te gaan, maar aangezien je dan alle sporten leert lesgeven en dus ook zelf aan de slag moet met bal- en andere teamsporten heb ik dat maar niet gedaan. Mensen die mij ooit tegen een bal hebben zien schoppen weten wel waarom. Uiteindelijk ook de cursus tot instructeur niet gedaan, maar daarvoor weet ik de reden even niet.

Misschien wel omdat ik journalist wilde worden. Toen we allebei de vierde moesten over doen, heb ik veel tijd besteed aan de schoolkrant. Met een enthousiast clubje misfits schreven, knipten en plakten we het maximale aantal pagina’s vol dat de nietmachine van het stencilapparaat aan kon. De inhoud van deze schrijfsels varieerde van do’s and don’ts in de liefde tot graffiti en het dertiende sterrenbeeld slangendrager; artikelen waar (vaak) echt wat research voor gedaan is. Vraag me ineens wel af hoe we dat deden, zo zonder Wikipedia…

In 2002 mocht ik eindelijk naar de School voor Journalistiek in Zwolle, om er een jaar later weer mee te stoppen. We kregen vakken als geschiedenis, economie en (een variant op) maatschappijleer, vakken waarvan ik eigenlijk blij was dat ik ze op de Havo had afgesloten. Via de Kunstacademie ben ik uiteindelijk Communicatie gaan studeren, onder andere omdat daar ook weer een stuk schrijven bij komt kijken.

Achteraf gezien is de journalistiek niets voor mij. Als journalist kan je maar beperkt je eigen draai geven aan een tekst, moet je je mening voor je houden en mag je niet spelen met woorden. Terwijl dat de dingen zijn die ik juist zo graag doe. Want nog steeds vind ik het heel fijn om te schrijven en doe ik graag research naar een onderwerp om er een leuk stukje van te maken. Gelukkig kan ik hier lekker los 🙂

 

Gepost op

Aaltje en Dina

Weet u nog dat ik hier vorige week zondag schreef ‘over gezellig keuvelende oude dametjes die hun dwergpoedel uitlaten’. Ik verwachtte dat er in het leven van deze twee, laten we ze Aaltje en Dina noemen, weinig enerverende zaken voorbij zouden komen. Los van natuurlijk de nieuwe, elektrische fiets van de postbode of het te laat verschijnen van de Libelle. Daar heb ik me toch lelijk in vergist…

Aaltje en Dina wonen naast elkaar op nummer 6 en nummer 8 van de Magnoliastraat aan de rand van een klein dorpje niet ver hier vandaan. Hun huisjes zijn door de jaren heen ’n beetje verzakt, waardoor de één zonder de steun van de ander zou omvallen. En dat geldt ook eigenlijk ook voor Aaltje en Dina, die de leeftijd van 87 jaar reeds zijn gepasseerd. Ze kennen elkaar al heel lang. Na hun bruiloften in de jaren vijftig kwamen ze hier wonen en werden ze buurvrouwen en vriendinnen. De echtgenoten, die allebei toevallig Bertus hadden geheten, waren jaren terug vrij snel na elkaar overleden en sindsdien zijn de dames op elkaar aangewezen. Van kinderen is het zowel op nummer 6 als op nummer 8 niet gekomen, maar gelukkig hebben ze hun dieren; Aaltje woont samen met dwergpoedel Minnie en Dina deelt haar huis met Hansje, de lapjeskat.

Drie keer per dag lopen ze samen een stukje met Minnie, waarbij Hansje ze vaak (als het droog is) op een afstandje volgt. De route is vrijwel altijd hetzelfde; van de Magnoliastraat naar het uitlaatveldje op de hoek met de Rozenweg, dan een rondje om de kerk, vervolgens via de bakker en de slager naar de bosrand en dan over het zandweggetje weer terug naar huis. Soms als het regent slaan ze het bos over, anders krijgt Minnie van die vieze pootjes en daar houdt de witte vloerbedekking bij Aaltje niet van.

Vandaag is het mooi weer, het najaarszonnetje schijnt erop los. De bomen dragen hun herfsttooi en in het kleine gezamenlijke grasveld in de voortuin prijken een paar flinke vliegenzwammen. Aaltje stond al klaar met haar tuinhandschoenen om ‘dat onkruid’ hardhandig te verwijderen, maar Dina wist haar ervan te overtuigen de rood met witte paddenstoelen te laten staan. “Het is maar voor een paar dagen en een beetje kleur in de tuin vind ik nog wel fijn.”

Na de koffie met een Jan Hagel-koekje, gaan de sjaals om en de mantels aan. Minnie weet al hoe laat het is en ze gaat vast bij de riem zitten. Eenmaal buiten heeft Aaltje een beetje moeite om Minnie in bedwang te houden; de dwergpoedel gaat enthousiast met haar snuit door de eikenbladeren in de goot gaat, maar even later is Minnie weer wat gekalmeerd. Daar gaan ze, zij aan zij, de één met een pluizig beige hondje en allebei gewapend met een wandelstok.

Wordt vervolgd…