Gepost op

Plantenliefde III

Van deze illustratie staat een ansichtkaart in de webshop.

Plants are friends (de mijne althans) en ik kan echt niet vaak genoeg zeggen hoe blij ik ervan word. Terwijl ik dit schrijf zit ik in de tuin onder de overkapping en overal waar ik kijk staat wel iets te groeien of te bloeien. Het één is gekocht als plant, het ander als zaadje en weer een ander heeft er zelf voor gekozen om hier in de tuin te komen. En ook in huis kunnen er naar mijn idee niet genoeg planten staan.

Ik doe mijn best om alles in leven te houden, maar zo af en toe komt het voor dat iets het niet red. Vandaag heb ik mijn tweede ‘hemionitis arifolia’ oftewel hartjesvaren gekocht; de eerste is onder mysterieuze omstandigheden aan zijn einde gekomen. Ik zou hiervoor graag onze kat Charlie de schuld geven, maar ik denk ie van mij iets te veel water heeft gehad.

Charlie is overigens wel verantwoordelijk voor het structureel kort houden van de papyrusplant. Deze staat in de vensterbank van de keuken, en hoewel het beest natuurlijk niet op het aanrecht mag, blijkt ie zich daar als wij niet thuis zijn weinig van aan te trekken.

In de tuin heeft de kamille zelfstandig een nieuwe plek gevonden. Hij is mooi hoog geworden en barst van de wit met gele bloemen. Misschien maar eens kijken hoe je daar kamillethee van kan maken. Zo moeilijk zal het vast niet zijn.

En overal komt nu oost Indische kers naar boven. Dit heeft zichzelf aardig door de tuin verspreid vorig jaar, dus dat worden weer een hele hoop gezellige oranje bloemen binnenkort.

Moestuin
Ook de moestuin is inmiddels ‘aan’ gegaan. De eerste aardbeien zijn gered van de merels, die likkebaardend op de schutting zaten toe te kijken hoe al dat lekkers voor hun neus weg werd gehaald. Ach ja, de volgende keer zijn zij er weer eerder bij. De peultjes beginnen al daadwerkelijk op peultjes te lijken en voor het eerst dit jaar heb ik mais gezaaid. Twee soorten, popcorn en suikermais, ben heel benieuwd hoe dat gaat.

Ik vond het wat deprimerend worden dat de tuin na de oogst zo leeg werd, dus op de plek waar vorig jaar onder andere de tomaten stonden, staan nu wat vaste planten. De tomaten lijken zich daar alleen weinig van aan te trekken, want gister ontdekte ik twee flinke tomatenplanten tussen wat witte en gele bloemen. Nu nog even bedenken of ze daar mogen blijven…

Volgens mij kan ik nog wel een eind verder schrijven over planten en bloemen (Heb ik al verteld over de zonnebloemen die uit het vogelvoer van afgelopen winter zijn gekomen?) Maar goed, zo blijft er genoeg inspiratie over voor een Plantenliefde IV, V en VI.

Gepost op

Bye bye Bunny

In 2012 ben ik samen met vriendinnetje Sara begonnen met Le lapin blanc oftewel Het witte konijn. Deze naam komt van het verhaal Alice in Wonderland, waarin Alice een wit konijntje volgt door een gat in de grond en zo terecht komt in Wonderland. Een bijzondere wereld waarin niets is wat het lijkt. En zo was het ook een beetje met ons witte konijn. Van sjaaltjes maakten we kussens, van tafelkleden tassen en theekopjes vulden we met kaarsvet en een lont. Oude lederen tasjes gaven we een nieuw hengsel, poppenhuistheepotjes werden sieraden en we haakten ons een slag in de rondte.

We stonden ermee op markten, runden een Etsy-shop en we hadden een heuse webshop die een vriend van me in elkaar had geklust (voor een kratje bier). Op al die markten waar we stonden, zagen we dat veel mensen ansichtkaartjes verkochten. Geïnspireerd gingen we aan de slag en zo ontstond de eerste kaartjes collectie (waarvan een aantal ontwerpen nog steeds via Studio Kvinna te koop is).

Met de tijd merkte ik dat ik het tekenen wel erg leuk vond en ontdekte ik dat je met foto’s ook allerlei toffe dingen kan maken. Het handwerken vond (en vind) ik nog steeds heel leuk maar het is behoorlijk arbeidsintensief. En soms was het even slikken om te horen dat iemand het te duur vond, omdat ze ‘het zelf ook wel konden maken’. Zeker in Twente, van oudsher de textielregio met hard werkende mensen, hoorden we dat regelmatig. Terwijl de getekende ansichtkaarten en laten ook posters het goed deden, zélfs hier in het oosten van het land.

Vriendinnetje Sara vond het na een paar jaar toch prettiger om haar gemaakte spulletjes cadeau te geven in plaats van ze te verkopen en ik neigde er meer en meer naar om de hele kraam te vullen met getekende kaarten, posters en mokken. Dus we gingen uit elkaar en Studio Kvinna werd geboren.

Op de achtergrond bleef het witte konijntje rondhopsen. De Etsy-shop en website bleven online, af en toe werd er zelfs wat verkocht (alle voorraad was er immers nog). Maar afgelopen winter tijdens een grote opruimronde verdwenen er al wat spullen richting kringloop en het aantal bezoekers op de website nam af. En ergens begon een stemmetje te fluisteren dat het misschien, heel misschien, wel tijd is om afscheid te nemen van de pluizebol.

Inmiddels is de kogel door kerk en de knoop doorgehakt en zo. Op 12 juni 2018 gaat de website definitief offline en gaat de Etsy-shop dicht. Tijd voor iets nieuws. Want het blijft kriebelen om achter de naaimachine plaats te nemen om van een lapje stof iets tofs te maken of van een simpel bolletje wol een kussen te haken 😀 Bye bye bunny en wordt vervolgd!

PS. De website www.lelapinblanc.nl is nog online, maar ik blijk niets meer aan te kunnen passen. Mocht je interesse hebben in iets wat je daar in de shop ziet, stuur dan even een mailtje en dan kijk ik of ik het artikel nog heb. Thanks!

Gepost op

Lang leve de koning

Hoera! Hoera! Hoera! Morgen vieren we Koningsdag. Onze vorst mag dan 51 kaarsjes uitblazen en het hele land mag er van mee genieten. Eerst lekker met een oranje tompouce voor de tv en later (hopelijk is het droog en niet te koud) met een drankje in de stad.

Koningsdag is één van de weinige feestdagen die echt alleen van Nederland is. Tot ergens in de 19e eeuw vierden we op 18 juni Waterloo-dag, ter herinnering aan het einde van de Franse bezetting in 1815. In alle kerken moest op die datum een uur worden stilgestaan bij de slag, waarna er allerlei activiteiten georganiseerd werden. Toen de herinnering aan de veldslag vervaagde ging de dag uiteindelijk ongemerkt voorbij.

Op 31 augustus 1885, op de vijfde verjaardag van prinses Wilhelmina, werd de eerste ‘Prinsessedag’ georganiseerd. Dit nobele initiatief kwam van de heer Gerlach, de hoofdredacteur van het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad (iedere horeca-ondernemer in een binnenstad zou deze meneer Gerlach op z’n blote knietjes moeten bedanken voor dit inmiddels bijna twee dagen durende feest). Zijn doel was ‘de nationale eenheid te benadrukken’.

De nieuwe traditie begon in Utrecht en waaierde langzaam maar zeker over naar de rest van het land. Toen in november 1890 Wilhelmina’s vader Willem III overleed, werd in 1891 voor het eerst Koninginnedag gevierd. Een feestdag die vooral voor kinderen was.

In 1948 volgde Juliana haar moeder Wilhelmina op. Daarmee veranderde de datum van Koninginnedag van 31 augustus naar 30 april, Juliana’s verjaardag. Juliana was de eerste vorstin die ook echt lijfelijk aanwezig was bij de viering. Ze kreeg een bloemenhulde op Paleis Soestdijk, waarbij vele Nederlanders in een kilometerslange optocht langs het bordes met Juliana en haar familie liepen en haar geschenken en bloemen gaven: het zogeheten defilé. Na een gezamenlijk Wilhelmus, was het tijd voor de traditionele kinderspelen, zoals zaklopen en koekhappen. Meer en meer mensen kregen een vrije dag, zodat het uit kon groeien tot de nationale feestdag die het nu is.

Toen in 1980 Beatrix koningin werd, koos zij ervoor om Koninginnedag op 30 april te blijven vieren. Haar eigen verjaardag is op 31 januari, niet persé de meest geschikte dag om een groot buitenevenement te plannen. Vanaf 1981 bezocht ze, met het liefst een zo groot mogelijk deel van de koninklijke familie, één of twee plaatsen in Nederland. Die haalden dan alles uit de kast om goed voor de dag te komen. En zo is het eigenlijk nog steeds. Alleen dan op 27 april, want dan is onze Willem jarig.

Morgen is Groningen aan de beurt. Altijd weer leuk om te zien hoe de prinsesjes zich soms zichtbaar vervelen, hoe de grote prinsessen zich op hoge hakken over de kinderkopjes bewegen, hoe Maxima soms moeite moet doen om haar hand terug te krijgen en hoe WimLex met volle teugen van alles geniet. Ik hoop dat we deze traditie nog lang mogen volhouden. Gefeliciteerd beste koning en geniet ervan morgen.

Gepost op

Als ik later groot ben

Als ik later groot ben dan word ik… Prinses! Brandweerman! Dokter! Kan me niet herinneren dat ik ooit één van deze dingen genoemd hebt. Ik denk dat mijn wannabe-carrière begon met schilderes. Opgevolgd door schrijfster. Eigenlijk al zo lang ik weet hoe je met letters woorden en zinnen moet maken, schrijf ik verhaaltjes en andere teksten. Dat begon met het sprookje over Duimeliesje (niet te verwarren met Duimelijntje van H.C. Andersen) die samen met haar libelle Ria in een roze roos woont. Er staat helaas geen jaartal in het schriftje waarin ik dit geschreven heb, maar laten we zeggen dat de wereld van d’s en t’s nog onbekend terrein was.

Na Duimeliesje en een hoop andere personages kwam in 1995, het deels op waarheid gebaseerde verhaal, Pien. In die meivakantie had ik met mijn zusje en een vriendinnetje een meerkoetkuiken gevonden, wat resulteerde in een bijna veertig kantjes met de hand geschreven ‘boek’ over het kuiken dat we Pien hadden genoemd. Ook schreef ik in die tijd veel gedichtjes, enerzijds met duidelijke rijm maar anderzijds ook gebruikmakend van…dichterlijke vrijheid.

Aan het begin van de middelbare school draaide mijn carrièrewens richting turninstructeur bij een vereniging. Ik heb even overwogen om naar de ALO te gaan, maar aangezien je dan alle sporten leert lesgeven en dus ook zelf aan de slag moet met bal- en andere teamsporten heb ik dat maar niet gedaan. Mensen die mij ooit tegen een bal hebben zien schoppen weten wel waarom. Uiteindelijk ook de cursus tot instructeur niet gedaan, maar daarvoor weet ik de reden even niet.

Misschien wel omdat ik journalist wilde worden. Toen we allebei de vierde moesten over doen, heb ik veel tijd besteed aan de schoolkrant. Met een enthousiast clubje misfits schreven, knipten en plakten we het maximale aantal pagina’s vol dat de nietmachine van het stencilapparaat aan kon. De inhoud van deze schrijfsels varieerde van do’s and don’ts in de liefde tot graffiti en het dertiende sterrenbeeld slangendrager; artikelen waar (vaak) echt wat research voor gedaan is. Vraag me ineens wel af hoe we dat deden, zo zonder Wikipedia…

In 2002 mocht ik eindelijk naar de School voor Journalistiek in Zwolle, om er een jaar later weer mee te stoppen. We kregen vakken als geschiedenis, economie en (een variant op) maatschappijleer, vakken waarvan ik eigenlijk blij was dat ik ze op de Havo had afgesloten. Via de Kunstacademie ben ik uiteindelijk Communicatie gaan studeren, onder andere omdat daar ook weer een stuk schrijven bij komt kijken.

Achteraf gezien is de journalistiek niets voor mij. Als journalist kan je maar beperkt je eigen draai geven aan een tekst, moet je je mening voor je houden en mag je niet spelen met woorden. Terwijl dat de dingen zijn die ik juist zo graag doe. Want nog steeds vind ik het heel fijn om te schrijven en doe ik graag research naar een onderwerp om er een leuk stukje van te maken. Gelukkig kan ik hier lekker los 🙂

 

Gepost op

Vrolijke Paashaas

Hiep hoi het is lente! En nog Pasen ook! Tijd voor een gezellig feestje (twee zelfs dit jaar) met familie, allerlei lekkers, eieren in de hoofdrol en de Paashaas on the side. Gister al begonnen met een advocaat taart en daar komen nog doperwtjessoep, brownies met witte én pure chocola, pannenkoekjes met zalm en scones bij. Het begint al bijna kerstachtige proporties aan te nemen…

Eigenlijk vind ik Pasen een beetje een ondergewaardeerd feest; volgens de katholieke kerk is het zelfs het belangrijkste feest van het jaar! Nou wil ik niet zo ver gaan, en ook niet om dezelfde redenen als bovengenoemde kerk, maar ik vind het wel heel fijn dat je al bijna zonder jas met de auto naar de supermarkt kan en dat er weer blaadjes aan de bomen komen. Dat binnenkort de bloesems je weer tegemoet waaien en dat de planten in achtertuin stiekem toch niet massaal overleden blijken te zijn.

Pasen vindt haar oorsprong dan ook bij allerlei lentefeesten, die werden gevierd van de Romeinen tot de Germanen en door zowel de Babyloniërs als de Kelten; opgedragen aan de nieuwe geboorte. Waarmee het cirkeltje weer rond is met de wederopstanding van Christus.

Vorig jaar schreef ik in mijn blog over eieren; dat boeren bijvoorbeeld eierschillen mengden door het te zaaien zaad voor vruchtbaarheid en een goede oogst. Ook het zoeken naar eieren heeft een magische oorsprong, het zou de levenskracht van de lente opwekken. En door wie kunnen die eieren dan beter verstopt worden dan door een haas. Het dier dat al duizenden jaren wordt vereerd vanwege haar voortplantingsvermogen en dat het symbool was voor (vruchtbaarheids-)godinnen als Afrodite, Venus, Astarte en Ostara.

Maar waarom dan geen konijn? Die beestjes zijn immers ook prima in staat om zich exponentieel te vermeerderen? Simpelweg omdat konijnen (gek genoeg) pas in de Middeleeuwen de rest van Europa kwamen binnen hoppen vanuit Spanje, te laat om een plaatsje te veroveren in de symboliek.

Inmiddels heeft het konijn, dat eigenlijk ook een haasachtige is, een aardige sprint gemaakt. De fluffyness en schattigheid ervan hebben er voor gezorgd dat dit diertje alom vertegenwoordigd is in de Paas-prullaria en dat het bovendien bovenaan op de most wanted list voor huisdieren van menig kind staat. Het is zelfs verboden om een haas als huisdier te houden, maar dat terzijde.

Hoogste tijd om er als een haas vandoor te gaan om verder te gaan met voorbereidingen voor de Paasbrunch. Vrolijke Paashaas allemaal!

Gepost op

Voorproefje

Volgens mijn planning ga ik vandaag een stukje schrijven over de lente. U weet wel dat fijne seizoen waarbij het voorjaarszonnetje haar best doet om de herinnering aan de koude winter te verdrijven. Dat seizoen waarbij de bomen eerst een zacht geelgroene gloed krijgen om vervolgens los barsten in wel honderd tinten groen met bovendien heerlijk geurende bloesems. Dat seizoen waarbij de lammetjes door de wei dartelen en de kuikens verdwaasd uit hun ei kruipen om de wereld te gaan verkennen. Dat seizoen, dat meteorologisch (1 maart) en astronomisch (20 maart) is begonnen, maar verder nog nergens te bekennen lijkt… Dat seizoen dus. Ik wacht er nog wel even mee. En op.

Begin maart heb ik al wel een voorproefje van de lente gehad. Samen met Steven was ik in Granada in het zuiden van Spanje. Wat een fijne stad (met palm- en sinaasappelbomen)! We sliepen bij een vriend die er al een jaar woont en daarmee hadden we een lokale gids die ons naar mooie plekjes, prachtige uitzichten en lekkere tapas leidde.

Granada ligt op ongeveer twee uur rijden met de bus van het vliegveld van Malaga. Het ritje gaat langs de bergen van Malaga, die toen wij er reden waren bedekt met mist waardoor het eerder Brits dan Spaans leek. En waar er in Malaga al blaadjes aan de bomen zaten, waren deze in Granada nog goed verstopt. Ook regende het meer dan gemiddeld voor de tijd van jaar. Maar…

… als de zon dan schijnt is het meteen heerlijk warm. De straten komen tot leven, kunstenaars verkopen hun handgemaakte spullen op kleedjes op de vele trappen en op pleintjes spelen straatmuzikanten flamenco op hun gitaar. Echt wat een sfeer! Ook krijg je bij elk drankje dat je besteld een gratis tapas, variërend van wat olijfjes tot toast met ham en van aardappelpuree met gegrilde groente tot gefrituurde vis. Dus door bij een paar cafétjes een drankje te doen, heb je gelijk je avondeten bij elkaar verzameld.

De geschiedenis en het straatbeeld van Granada zijn voor het groot deel bepaald door de Moren, een Islamitisch volk bestaande uit Noord Afrikaanse Berbers en Arabieren. Vanaf de zevende tot en met de vijftiende eeuw hadden zij de stad in handen.

Ons logeeradres lag midden in Albaicín, de oude Arabische wijk met fijne nauwe straatjes, veel trappen en huizen uit de veertiende eeuw. De Arabische invloed is hier goed te zien in de bouwstijl en de vele gekleurde tegeltjes rondom ramen en deuren. Vanaf het dakterras hadden we een fantastisch zicht op het Alhambra, de middeleeuwse vesting met prachtige tuinen en paleizen waar de Moorse sultans woonden en regeerden tot 1492. Vanaf dat moment hadden de katholieke koning Ferdinand II en zijn vrouw Isabella het voor het zeggen in Granada. Moskeeën moesten toen plaats maken voor kerken, maar het Alhambra mocht blijven. Nu staan het complex en de wijk Albaicín beide op de werelderfgoedlijst van UNESCO.

De pracht van Granada wordt uitgedrukt in de beroemde uitspraak van de Mexicaanse dichter Francisco de Icaza: ‘Dale limosna, mujer, que no hay en la vida nada como la pena de ser ciego en Granada’. (‘Geef een aalmoes, vrouw, want er is in het leven geen ergere straf dan een blinde te zijn in Granada’.) En hier ben ik het wel mee eens, terwijl wij de stad niet eens op het mooist hebben gezien. Het is misschien niet de eerste plek waar je aan denkt bij zuid Spanje, maar wat mij betreft zeker het overwegen waard mocht je die kant op willen. Wij komen er ongetwijfeld nog een keer terug, als is het alleen maar voor de inspirerende ramen en deuren 🙂

 

 

 

Gepost op

Catfulness

Onze katten, Charlie en Saartje, hebben het toch maar goed voor elkaar. Dagelijks verschijnen er brokjes in het bakje waar Poes op staat, ’s avonds komt er na enig aandringen een schoteltje natvoer naast te staan en vers water is op meerdere plekken in huis (de salontafel, het nachtkastje) verkrijgbaar. Tel daar de verwarming, de krabpaal en het dekentje op de bank bij op en je hebt volgens mij een volmaakt kattenleven. Soms komen ze even tegen mijn benen aanleunen en krijg ik een kopje tegen mijn bovenarm als ik op de bank zit. Misschien interpreteer ik dit verkeerd, maar het voelt alsof ze daarmee toch genegenheid tonen. De scepticus zal zeggen dat dit vooral eigen belang is, zodat ze een aai krijgen of wat lekkers, maar dat geloof ik toch niet.

Charlie
Saartje

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Omdat ik soms lichtelijk jaloers ben als ik mijn katten lekker zie chillen, terwijl ik me druk maak over van alles, kon ik het boekje Catfulness – Hoe een kat ons kan leren gelukkig en mindful te leven niet laten liggen bij de boekhandel. Een dag later vond ik Doe en denk als een kat bij een andere winkel, dus die staat nu naast Catfulness in de kast. Niet alleen lezen beide boekjes lekker weg, waarbij Catfulness is geschreven vanuit het kattenperspectief en die andere vanuit een katteneigenaar, het gaat ook ergens over zonder zweverig of kinderachtig te worden. Want daar was ik eerlijk gezegd wel een tikkeltje bang voor.

In Denk en doe als een kat worden eigenschappen van katten beschreven, waar we als mens een voorbeeld aan kunnen nemen. Eigenschappen die heel herkenbaar zijn als je veel met katten omgaat. En denk er maar eens over na: Een kat is ongevoelig voor oordelen; een kat neemt de tijd om te leven; een kat concentreert zich op wat wezenlijk is; een kat houdt van zichzelf zoals ze is. Abraham Maslow schreef daarover: Katten (…) vertonen geen enkel teken dat ze liever een hond zouden zijn. Ik bedoel maar…

Catfulness is een stappenplan van zeven weken, met voor elke dag een opdracht die vooral gericht is op ontspannen, loslaten en gelukkig zijn. Houd je huis schoon; laat je niet verleiden door een druk bestaan; geniet van het uitzicht (door in de vensterbank te gaan zitten en het leven daarbuiten te bestuderen); angst gaat voorbij. Eigenlijk allemaal dingen die je wel weet, maar waar je (in mijn geval) soms aan herinnert moet worden.

Terwijl ik dit schrijf komt Saartje mijn kamer binnen lopen. Ze slingert langs mijn benen en bureaustoel, springt op mijn bureau en gaat luid spinnend over mijn muisarm liggen. Niet de meest praktische plek vanuit mijn oogpunt, maar deze poes heeft er ongetwijfeld een hele goede kattenreden voor.

Ik denk dat ik beide boekjes nog een keer goed ga bestuderen en de kunst van het leven ga afkijken van mijn twee poezebeesten.

Gepost op

Happy camper I

Eigenlijk is het dus mijn bedoeling om wekelijks een blogbericht te schrijven, om de sjeu en de regelmaat er in te houden enzo. Maar vorige week is het weer niet gelukt. De reden? We waren ‘uit kamperen’. Nou hoor ik u denken, het was toch niet bepaald zomer vorig weekend? Nee dat was het zeker niet, de Siberische kou van nu was nog fijn in Rusland, het was wel wat aan de frisse kant. Maar met goeie slaapzakken, een petroleumkachel en een muts op tijdens het slapen was het eigenlijk heel fijn (ook al was de bus van buiten bevroren en waren onze neusjes rood van de kou).

Elk jaar gingen we met de tent op vakantie. Lekker kamperen op een (hopelijk) rustig stukje natuur. Terwijl wij tijdens één van die tripjes onze tent aan het opzetten waren, kwam er een blauw-groen kampeerbusje bij ons op de camping staan. Nog voordat wij klaar waren met die tent, waren zij geïnstalleerd, stond de buurvrouw te koken en zat de buurman aan een biertje. Dat zag er zo ideaal uit, dat wij een droom én een missie rijker waren.

Afgelopen november hebben we onze, nog naamloze, kampeerbus gekocht en vorig weekend zijn we er voor het eerst mee op pad geweest. Het is een echt campertje. Niet de ouderwetse VW-bus die ik eigenlijk in gedachten had, maar een rode Ford Transit Nugget uit 1989. Deze is wat groter dan een VW, logischer ingericht en laten we eerlijk zijn, betaalbaarder. Vergeet daarbij ook niet het signatuur motor-geluid; je hoort ons al van verre aan komen. Verder heeft ie een hefdak, zodat je bovenin lekker een bedje kan maken terwijl je beneden een fijn zitje hebt. Heerlijk toch? De bus ziet er nu nog een beetje basic uit, maar dat duurt niet lang meer. Ik heb stapels retro stofjes liggen; klaar om vermaakt te worden tot gordijntjes, kussens, vlaggetjes én toiletpapierhouders. Inspiratie (ook voor nieuwe Happy Camper-collectie) haal ik onder andere van Pinterest, wat is dat een heerlijke uitvinding, maar dat terzijde.

Net toen ik dit weekend had besloten om over kamperen met een (ons!) busje te schrijven; over de vrijheid die zo’n (ons!) busje representeert en hoe fijn het is dat je (wij) ieder moment in kan stappen om te ontsnappen aan de harde realiteit, om je te verliezen in een wereld waarin je niet harder gaat dan 100 km per uur en je ’s ochtends nog niet weet waar je bed die avond staat, viel de Flow (u weet wel, dat tijdschrift) op de deurmat. Het openingsartikel gaat over, jawel, het busjesgevoel! Waar je natuurlijk niet perse een busje voor nodig hebt, een bootje of een strandhuisje doet de truc ook. Per ongeluk zijn we met een trend mee gegaan, waarbij ‘het busje voorziet in het verlangen om te versimpelen en tegelijkertijd het normale bestaan prettiger in te richten’. Zelf zouden we het niet met zoveel woorden zeggen, maar in essentie klopt het wel. Daarnaast is het gewoon tof om te weten dat de vakantie al is begonnen zodra je de oprit verlaat. Wordt vervolgd…

 

Gepost op

Alaaf!

Menig werknemer in het zuiden des lands heeft een paar dagen vrij genomen deze week. Woonachtig zijn in Oeteldonk, Lampegat en Kruikenstad, betekent je drie dagen lang in het feestgedruis storten. Ook het dorp waar ik oorspronkelijk vandaan kom, Vlearmoesdorp, staat nu in het teken van ‘de omgekeerde wereld’ (en veel drinken). Maar wat is toch de reden dat volwassen mensen zich drie dagen lang zomaar niets aantrekken van wat andere mensen denken?

Er werd vroeger, door allerlei volken, in de periode van eind december tot eind maart regelmatig gefeest om het nieuwe jaar, de terugkeer van de zon en daarmee vruchtbaarheid te vieren en af te dwingen. Dodenverering speelde hierbij een grote rol. Gekleed in dierenhuiden en met maskers op probeerden ze in contact te komen met hun voorouders. Vermomming was hierbij belangrijk, want gehuld in een masker maakte je automatisch deel uit van de dodenwereld en was je niet echt meer van de overledenen te onderscheiden. Door de doden blij te maken met offers als eten en drinken, hoopte je er een goed en vruchtbaar nieuwjaar voor terug te krijgen.

De Romeinen vierden eind december de Saturnalia, een feest ter ere van Saturnus, god van de landbouw. Deel van dit festijn was dat de slaven werden vrijgelaten om zo hun meester voor de gek te mogen houden. Daarnaast verkleedden mensen zich en werd er een schijnkoning gekozen. (gebruiken die ook nu nog voorkomen, denk aan prins carnaval).

Na ruim 500 jaar geprobeerd te hebben om deze heidense feesten uit te bannen, dacht de katholieke kerk ‘if you can’t beat them, join them’. In 1091 na Christus werd vastgesteld dat Aswoensdag het begin is van de 40 dagen durende vastentijd tot aan Pasen. Dat maakte de dinsdagavond vastenavond, waarop er uitbundig gegeten en gedronken mocht worden om de vastentijd in te luiden. In 1248 werd besloten dat er zelfs enkele dágen vastenavond gevierd mocht worden. Het feest van overvloed was geboren. Er wordt beweerd dat het woord carnaval een samentrekking is van ‘carne’ en ‘vale’, dat zoveel betekent als ‘vaarwel vlees’. Dit omdat er tijdens de vastentijd geen vlees gegeten mocht worden.

Tijdens de reformatie in de 16e eeuw is het carnaval een tijdje ‘uit’ geweest. Het zou de echte christelijk feesten (Kerstmis, Pasen en Pinksteren) devalueren en bovendien vasten de protestanten niet wat het feest nogal overbodig maakte. Toen de katholieken en de protestanten weer met elkaar in één dorp konden wonen, kwam het carnaval weer in de mode. Het werd zelfs een waarmerk voor de katholieke levensstijl. In de 19e eeuw ontstond het georganiseerde carnaval met de oprichting van talrijke carnavalsverenigingen en men verkleedde zich graag als historische figuren en beroemde personen. Ook kwamen er optochten en zo werd carnaval een volksfeest dat alles ondersteboven haalt als tegenhanger voor de saaie en normale realiteit; de omgekeerde wereld.

Een feest dat vandaag de dag nog springlevend is en wat het hart van menig Brabander, Limburger en bierbrouwer sneller laat kloppen. Alleen dat vasten zit er niet meer in. Het is normale leven is al pittig genoeg zonder.

PS: Over de herkomst van het woord Alaaf bestaan twee lezingen. Sommigen zeggen dat Alaaf een verbastering is van het woord elf. Elf is immers het ‘gekkengetal’. Anderen zeggen dat Alaaf afkomstig is uit het oud-Keulse dialect; “all af” (Hoogduits : all ab), hetgeen zou betekenen ‘alles aan de kant’. Dit is gegrond op de oorsprong van de carnaval, namelijk dat voor de vastentijd al het goede spijs en drank op moest 🙂 (met dank aan Wikipedia)

Gepost op

Over Frida

Naar kunst kijken is één van mijn lievelingsdingen om te doen. Daarbij zijn kunst en kunstenaars vaak een dankbare bron van inspiratie. Elk jaar neem ik me voor om meer naar musea te gaan, en soms lukt dat ook. Soms lukt ’t ook niet maar dan zijn daar altijd volledig logische verklaringen voor, te vooral te maken hebben met tijd en het openbaar vervoer. En heel, heel af en toe heb ik ook gewoon geen zin om de deur uit te gaan… Een aantal jaar geleden (voelt als een eeuwigheid) ging ik voor mijn opleiding naar het Gemeentemuseum in Den Haag voor een tentoonstelling over kunstenaarskoppels uit het eind van de 18e en begin van de 19e eeuw, waaronder schilder Georgia O’Keeffe & fotograaf Alfred Stieglitz, beeldhouwers Niki de Saint Phalle & Jean Tinguely en het schilders echtpaar Frida Kahlo & Diego Rivera. Wat ik vooral gaaf vond aan die expo was om te zien welke invloed de kunstenaars op elkaar hadden.

Frida Kahlo is al jaren een favoriete kunstenaar van me. Wanneer dat is begonnen weet ik niet, misschien wel met de film die over haar leven is gemaakt (Frida, 2002). Er zijn theorieën dat ze zelf haar leven op 47-jarige leeftijd heeft beëindigd. Zo liet ze een briefje achter met de tekst ‘Ik hoop dat het einde vrolijk is en hoop nooit meer terug te keren’. Het waren dan ook 47 heftige jaren. Op zes-jarige leeftijd krijgt ze kinderverlamming aan haar rechterbeen en twaalf jaar later krijgt ze bij een busongeluk een metalen buis door haar lichaam; het brak haar ribben, heup en haar slechte been op elf plaatsen, haar ruggengraat was op diverse plaatsen gebroken en het ongeluk verbrijzelde haar voet. Maandenlang moest ze in bed blijven, geteisterd door constante pijn en gehuld in een metalen korset.

Mijn impressie van Frida, te koop als ansichtkaart.

Dit was het moment waarop ze in begonnen met schilderen. Haar moeder maakte spiegels aan het bed vast, zodat ze zichzelf kon gebruiken als muze. In totaal heeft Frida 143 schilderijen gemaakt, waarvan 55 zelfportretten. De kleuren in haar werk zijn vrolijk en helder, wat in contrast staat met de vervreemdende voorstellingen op het doek. Een regelmatig terugkerend thema is haar echtgenoot Diego Rivera, waar ze mee trouwt als ze 22 is. Voor de 21 jaar oudere Diego is zij zijn derde vrouw. Het is een tumultueus huwelijk, met affaires aan beide kanten. In 1940 scheidden ze, nadat Frida hoort dat haar zus één van de buitenechtelijke escapades van haar man is geweest. Laten in dat jaar trouwen ze weer, zij het onder strikte voorwaarden.

“I paint the flowers so they will not die.”
De natuur en haar dieren waren Frida lief en ze speelden een belangrijke rol in haar leven. Dit, Sun and Live (1947) is misschien wel mijn favoriete schilderij van haar. Door het ongeluk raakte haar bekken zo beschadigd dat ze geen kinderen kon krijgen, iets waar ze veel verdriet van had. Ook dit komt veelvuldig terug in haar werk. Net als de kenmerkende doorlopende wenkbrauw.

Wat ik aan haar bewonder is haar doorzettingsvermogen, om ondanks alle tegenslag toch door te gaan met dat doen waar je passie ligt. Door haar geschiedenis lijken mijn ‘problemen’ met het openbaar vervoer als ik naar een museum wil maar verwaarloosbaar. Iets om te onthouden als ik weer eens loop te klagen ;).